Waarom EBITDA pas betekenis krijgt na normalisatie
In overnametrajecten binnen de Belgische kmo-markt wordt EBITDA vaak naar voren geschoven als dé graadmeter voor de waarde van een onderneming. Het cijfer lijkt op het eerste gezicht helder, objectief en makkelijk vergelijkbaar. Toch blijkt in de praktijk dat EBITDA zelden een neutrale weergave is van de economische realiteit.
Wie zich uitsluitend baseert op de statutaire EBITDA uit de jaarrekening, riskeert een vertekend beeld van de werkelijke rendabiliteit. Daarom is normaliseren geen detail, maar een noodzakelijke stap in elke ernstige waardering.
Waarom de statutaire EBITDA tekortschiet
EBITDA staat voor het resultaat vóór intresten, belastingen, afschrijvingen en waardeverminderingen. Het idee is dat dit cijfer de operationele prestaties van een onderneming weerspiegelt, los van financieringsstructuur en boekhoudkundige keuzes. In theorie klinkt dat logisch, maar in werkelijkheid wordt de statutaire EBITDA beïnvloed door tal van factoren die weinig te maken hebben met de kernactiviteit.
Eigendomssituaties, fiscale optimalisaties, historische beslissingen of persoonlijke afspraken met aandeelhouders kunnen allemaal een impact hebben op het resultaat. Twee bedrijven met een identiek businessmodel kunnen daardoor op papier een heel verschillende EBITDA rapporteren. De boekhoudkundige EBITDA is dus geen objectieve maatstaf, maar eerder een vertrekpunt dat interpretatie vraagt.
Wat betekent normaliseren in de praktijk?
Normaliseren betekent dat je de statutaire EBITDA corrigeert om tot een cijfer te komen dat beter aansluit bij de “normale” en duurzame winstgevendheid van een onderneming. Het doel is niet om het resultaat mooier te maken, maar om het realistischer te maken. Daarbij worden kosten en opbrengsten geëlimineerd die niet recurrent zijn, niet operationeel of niet relevant voor de toekomstige werking.
Dat proces vereist meer dan louter rekenwerk. Het vraagt inzicht in het bedrijf, kennis van de sector en professioneel oordeel. Normalisaties moeten bovendien onderbouwd worden met concrete gegevens en kritisch geëvalueerd worden. Te agressieve correcties kunnen immers leiden tot een kunstmatig opgeblazen rendabiliteit, wat risico’s inhoudt voor zowel koper als verkoper.
Typische correcties op EBITDA
Een eerste veelvoorkomend voorbeeld is vastgoed in eigendom. Een onderneming die haar eigen gebouw bezit, draagt geen huurkost en toont daardoor een hogere EBITDA dan een vergelijkbaar bedrijf dat huurt. Door een marktconforme fictieve huur in rekening te brengen, worden beide situaties beter vergelijkbaar.
Ook transacties met verbonden partijen vragen aandacht. In kmo’s gebeuren die vaak aan voorwaarden die niet marktconform zijn, zoals afwijkende managementvergoedingen, onder- of overgeprijsde huren of privégebruik van bedrijfsactiva. Om de echte economische prestaties te meten, moeten zulke elementen worden aangepast naar marktprijzen.
Daarnaast zijn er eenmalige kosten en opbrengsten, zoals herstructureringskosten, schadegevallen of uitzonderlijke erelonen. Ze beïnvloeden het resultaat, maar zeggen weinig over de structurele rendabiliteit. Hetzelfde geldt voor niet-operationele of persoonsgebonden kosten, zoals privé-uitgaven die via de onderneming lopen of opbrengsten uit de verkoop van activa.
De rol van genormaliseerde EBITDA in overnames
De genormaliseerde EBITDA speelt een centrale rol in vrijwel elk stadium van een overnameproces. Ze vormt de basis voor waarderingsmodellen zoals multiples of discounted cashflow, wordt gebruikt bij prijsformules en earn-outs en fungeert als referentie tijdens due diligence. Ook in documenten zoals intentieovereenkomsten en biedingen is dit cijfer vaak bepalend.
Omdat er zoveel beslissingen op steunen, is transparantie cruciaal. Normalisaties moeten helder worden toegelicht, consistent worden toegepast en controleerbaar zijn. Vaak gebeurt dit via een zogenaamde EBITDA-brug, waarin stap voor stap wordt uitgelegd hoe men van de statutaire naar de genormaliseerde EBITDA komt.