Terug naar overzicht

Pensioenhervorming in aantocht: aandachtspunten voor accountants en hun klanten

Door Accountants Academy op

 Op 6 maart 2026 bereikte de federale regering een politiek akkoord over een ingrijpende hervorming van het Belgische pensioenstelsel. Het dossier gaat nu naar het parlement. Als het wetgevend traject volgens plan verloopt, kunnen de nieuwe regels nog vóór de zomer in werking treden.

Deze hervorming heeft twee grote doelstellingen: mensen langer actief houden op de arbeidsmarkt en de band tussen effectieve arbeid en pensioenrechten versterken.

De maatregelen hebben enerzijds betrekking op de voorwaarden voor pensionering en anderzijds op de manier waarop het uiteindelijke pensioenbedrag wordt berekend.

Vervroegd pensioen: strengere loopbaanvoorwaarden

De wettelijke pensioenleeftijd blijft voorlopig 66 jaar en stijgt vanaf 2030 naar 67 jaar. Vervroegd pensioen blijft mogelijk, maar de voorwaarden worden gedeeltelijk aangescherpt.

Een belangrijke wijziging is de manier waarop een loopbaanjaar wordt bepaald. Vandaag telt een jaar mee zodra iemand minstens 104 gewerkte of gelijkgestelde dagen heeft. In de toekomst wordt die drempel verhoogd naar 156 dagen, wat neerkomt op ongeveer een halftijdse tewerkstelling.

Bepaalde niet-werkperiodes blijven wel meetellen voor de pensioenopbouw. Dat geldt bijvoorbeeld voor ziekte, zorgverlof en tijdelijke werkloosheid. Volgens de regering zal ongeveer 70 procent van de werknemers geen gevolgen ondervinden van de nieuwe definitie van een loopbaanjaar. Voor anderen kan de vroegste pensioenleeftijd wel opschuiven.

Om de impact te beperken voorziet de hervorming enkele overgangsmaatregelen. Werknemers die in 2025 al 60 jaar of ouder zijn, zouden maximaal één jaar langer moeten werken. Voor wie dat jaar 59 was, kan het verschil oplopen tot twee jaar. Bovendien blijft voor het eerste loopbaanjaar de huidige grens van 104 gewerkte dagen gelden. Daarnaast wordt een beperkte marge voorzien via vijf zogenaamde “pechdagen”, zodat een jaar dat net onder de nieuwe drempel blijft toch kan meetellen.

Sneller met pensioen voor wie vroeg begon te werken

De hervorming bevat ook een specifieke regeling voor mensen die al op jonge leeftijd aan hun carrière begonnen. Wie 42 effectieve loopbaanjaren kan aantonen, zou vanaf 60 jaar met vervroegd pensioen kunnen gaan, zelfs wanneer de algemene voorwaarde van 44 loopbaanjaren niet is vervuld.

Die regeling is wel gekoppeld aan strengere voorwaarden per loopbaanjaar: elk jaar moet minstens 234 effectief gewerkte dagen bevatten, wat overeenkomt met ongeveer een tewerkstelling van 75 procent.

Bonus en malus in de pensioenberekening

Naast de toegang tot het pensioen wijzigt ook de berekening van het uiteindelijke pensioenbedrag. De regering wil een systeem invoeren dat langer werken beloont en vroeger stoppen minder aantrekkelijk maakt.

Werknemers die vóór de wettelijke pensioenleeftijd met pensioen gaan, riskeren een vermindering van hun pensioen. Voor mensen geboren in of na 1975 zou die vermindering 5 procent bedragen per jaar dat men vroeger stopt met werken.

Die vermindering geldt niet automatisch voor iedereen. Ze kan vermeden worden wanneer aan bepaalde loopbaanvoorwaarden wordt voldaan: minstens 35 loopbaanjaren, elk met minstens 156 gewerkte dagen, en in totaal 7.020 gewerkte dagen over de volledige carrière. Volgens de overheid voldoet een groot deel van de werknemers al aan deze criteria wanneer ze vervroegd met pensioen gaan.

Aan de andere kant komt er een pensioenbonus voor wie langer blijft werken dan de wettelijke pensioenleeftijd. Voor werknemers geboren vanaf 1973 kan het pensioen met 5 procent stijgen voor elk extra gewerkt jaar, op voorwaarde dat ook hier aan dezelfde loopbaanvoorwaarden wordt voldaan.

Aanpassingen aan gelijkgestelde periodes

Ook de regels rond zogenaamde gelijkgestelde periodes worden aangepast. Dat zijn periodes waarin iemand niet werkt, maar toch pensioenrechten opbouwt.

Voor systemen zoals SWT (het vroegere brugpensioen), werkloosheid en landingsbanen blijven pensioenrechten bestaan, maar de berekeningsbasis wordt minder gunstig. In plaats van het vroegere loon zal een beperkt fictief inkomen worden gebruikt bij de pensioenberekening.

Daarnaast wordt een plafond ingevoerd: voor mensen geboren vanaf 1968 mogen dergelijke periodes nog maximaal twintig procent van de totale loopbaan uitmaken voor de pensioenberekening.

Een belangrijke uitzondering blijft tijdelijke werkloosheid, die volledig gelijkgesteld blijft. Dat is vooral relevant voor sectoren waar dit instrument frequent wordt gebruikt.